` ker – ke – lijk, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, van de kerk; de kerk betreffende; uitgaande van de kerk;, de kerkelijke gemeente, gemeente (bet 2) in onderscheiding van de burgerlijke gemeente;, kerkelijk jaar, zie bij jaar ;, Kerkelijke Staat, gebied waarover de paus wereldlijk gezag had (nu alleen Vaticaanstad)