` in – wen – dig ,, in` wen – dig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, van binnen, binnenin zijnde;, voor inwendig gebruik, om in te nemen;, de inwendige mens, bijbel de innerlijke, geestelijke mens;, schertsend :, de inwendige mens versterken, eten en drinken;, inwendige zending, zie bij zending (bet 3) ;, inwendige ziekten, ziekten van inwendige organen