ge` heim, («Duits), I, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, niet bekend gemaakt, verborgen gehouden;, geheime dienst, spionagedienst;, geheim agent, lid van de geheime dienst;, geheime politie, politieafdeling die niet in het openbaar functioneert;, geheim gemak, zie bij gemak (bet 3) ;, II, het -woord, geheimen, niet bekendgemaakt feit; verborgenheid;, een publiek geheim, iets wat geheim zou moeten zijn, maar algemeen bekend is;, het geheim bezitten van, de manier van vervaardigen of toebereiden kennen, veelal fig bijzonder bedreven zijn in;, dat is mijn geheim, die kunst versta ik;, een geheim (kunnen) bewaren, niet de neiging hebben een geheim openbaar te maken;, geen geheimen voor iem. hebben, niets voor iem. verborgen houden; zie ook bij, smid