` hou – ten, bijvoeglijk naamwoord, van hout;, de houten broek, de preekstoel;, een houten klaas, een onhandig, houterig persoon;, houten blaasinstrumenten, blaasinstrumenten met kleppen en greepgaten;, een houten kop hebben, gezegd van hoofdpijn ten gevolge van overmatig drankgebruik;, een houten kont, reet hebben, (door lang zitten) onaangenaam aanvoelend zitvlak