el` kaar ,, el` kan – der, wederkerig voornaamwoord, de één naar, tot, voor, tegen enz. de ander: elkaar groeten ; naar elkaar schreeuwen ;, door elkaar, a) zonder orde; b) gemiddeld;, in elkaar slaan, ernstig mishandelen door te slaan;, in elkaar zetten, samenstellen;, voor elkaar brengen, in orde brengen, klaarspelen;, ze niet allemaal bij elkaar hebben, gek zijn