` dui – vel, de -woord (mannelijk), duivels, duivelen, boze hellegeest, gevallen engel, satan;, des duivels prentenboek, het kaartspel;, als men over de duivel spreekt, trapt men hem op zijn staart, gezegd als een persoon over wie gesproken wordt, juist binnenkomt;, de duivel in hebben, uit z`n humeur zijn;, des duivels zijn, erg boos zijn;, de duivel aan iets gezien hebben, er een hekel aan hebben;, bij de duivel te biecht gaan, hulp inroepen van iem. van wie men niets goeds kan verwachten;, Zuid-Nederlands :, iem. de duivel aandoen, iem. erg plagen, pesten, sarren, treiteren;, Zuid-Nederlands :, spartelen als een duivel in een wijwatervat, tekeergaan als een bezetene, vooral van iem. die zichzelf in moeilijkheden heeft gebracht;, Zuid-Nederlands :, den duivel te plat zijn, zo glad zijn als een aal, een geslepen vos zijn; zie ook, duvel en 4 moer