de -woord, deuren, verticale, beweegbare afsluiting van de toegang tot een huis, vertrek, kast e.d.;, dat doet de deur dicht, dat is beslissend;, open deuren inlopen, intrappen, iets beweren dat al bekend is;, voor de deur staan, figuurlijk aanstaande zijn;, buiten de deur eten, (niet thuis, maar) in een restaurant;, buiten de deur zetten, op straat zetten;, naast de deur, in de nabijheid, vaak ironisch ver weg;, de deur voor iets openzetten, gelegenheid geven tot het binnendringen, gemakkelijk maken, vooral van misbruiken;, met de deur in huis vallen, het gesprek dadelijk brengen op het punt waar het om gaat;, politiek van de open deur, vrijheid van handel voor vreemde landen;, iem. de deur wijzen, iem. gebieden zijn huis te verlaten;, rechtszaak of vergadering met gesloten deuren, waarbij geen publiek wordt toegelaten;, niet samen door een deur kunnen, ruzie hebben, niet meer met elkaar om willen gaan;, iem. aan de deur zetten, buiten de deur zetten, de deur wijzen, de deur uitsmijten; zie ook bij, stok , vegen