vorm van congenitale, meestal familiaire, vaak zeer licht of onmerkbaar verlopende icterus, gekenmerkt door sphaerocytosis, microcytosis, verminderde resistentie der rode bloedcellen, anemie en splenomegalie; op elke leeftijd kan een plotselinge verhoging der bloedafbraak optreden, gepaard gaande met koorts, moeheid, palpitaties, kortademigheid, buikpijn en braken (crise de déglobulisation)