het -woord, broden, gebakken meeldeeg; een bepaalde hoeveelheid daarvan in zekere vorm; bij uitbreiding levensonderhoud:, brood op de plank, een behoorlijk inkomen om van te leven;, om den brode, voor de kost;, het brood des levens, wat voor het zielenleven nodig is;, dat eet geen brood, dat kost niets aan onderhoud;, brood zien in, goede verdiensten verwachten van;, wiens brood men eet, diens woord men spreekt, men kiest partij voor degene van wie men voor zijn onderhoud afhankelijk is;, bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien, als men het gewone niet heeft, gebruikt men iets van meer waarde;, zich de kaas niet van het brood laten eten, niet de baas over zich laten spelen;, iem. iets op zijn brood geven, iem. iets verwijten;, het op zijn brood krijgen, de gevolgen ervan ondervinden;, iem. het brood uit de mond nemen, stoten, iem. zijn levensonderhoud onmogelijk maken;, zoete (Zuid-Nederlands : platte) broodjes bakken, inschikkelijk worden, toegeven; zich zeer vriendelijk of gehoorzaam voordoen om iets goed te maken;, daar lusten de honden geen brood van, dat is minderwaardig spul, gedoe, geklets;, Zuid-Nederlands, zijn broodje is gebakken, zijn fortuin is gemaakt;, Zuid-Nederlands, dat is gesneden brood, dat is gesneden koek; zie ook bij, Frans en gewonnen